Gepubliceerd op vrijdag 29 september 2017
LS&R 1503
||
11 aug 2017
11 aug 2017, LS&R 1503; ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108 (Klacht tegen kinderpsychiater), https://lsenr.nl/artikelen/kinderpsychiater-handelt-nalatig-door-een-onvoldoende-onderbouwde-en-onjuiste-diagnose-te-stellen

Kinderpsychiater handelt nalatig door een onvoldoende onderbouwde en onjuiste diagnose te stellen

Regionaal Tuchtcollege Amsterdam 11 augustus 2017, LS&R 1503; ECLI:NL:TGZRAMS:2017:108 (Klacht kinderpsychiater) Klaagster is moeder van een 15-jarige zoon. Zij heeft hulp voor haar zoon gezocht in verband met psychische problemen. Aldus is de zoon onder behandeling gekomen van verweerster. Verweerster heeft de diagnose Pediatric Condition Falsification / Munchhausen by Proxy gesteld. Volgens klaagster heeft verweerster deze diagnose ten onrechte gesteld en zonder de contra-indicaties voor die diagnose erbij te betrekken. Voorts heeft verweerster volgens klaagster onder meer in strijd met artikel 8 EVRM gehandeld door medische informatie over haar en haar zoon zonder toestemming aan derden door te spelen. Het college concludeert dat de door verweerster vastgestelde diagnose Münchausen by proxy niet zonder meer volgt uit haar onderzoek en in ieder geval in die fase van het onderzoek prematuur is te noemen. In die zin slaagt klachtonderdeel 1. De overige klachten worden ongegrond verklaard. 

5.1.      Uit de stukken volgt naar het oordeel van het college genoegzaam dat sprake is (geweest) van een kind ernstig in de knel (vechtscheiding) en dat de omgangsproblematiek met de vader van D tot (grote) stress bij D en het gezin van klaagster en tot (grote) zorgen bij het team van E en verweerster leidde. De langere toediening (dan voorgeschreven) van pipamperon en daarnaast de oxazepam die buiten een reguliere behandeling aan D was voorgeschreven, leidde op terechte gronden ook tot zorgen bij verweerster. Dat verweerster daarom ook inzette op afbouw van die medicatie is door het college goed te volgen. Voorts blijkt genoegzaam uit de stukken ook dat “de buien” van D tot grote zorgen en stress leidde bij klaagster en haar gezin en dat zij daarvoor hulp zocht. De (digitale) verslaglegging van de gesprekken die gevoerd zijn (met de (stief)ouders van D en D zelf) is deugdelijk gedaan en geven het college goed inzicht in de overwegingen tot behandeling (al is het door de wijze van uitdraaien van die digitale verslagen soms wel lastig temporeel te plaatsen). De verslaglegging van het MDO van 9 februari 2016 is eveneens adequaat. Het door klaagster overgelegde verslag bevat op sommige pagina’s witte gedeelten, omdat daarin de verslaglegging van (telefonische) contacten met vader is weergegeven en de gesprekken met D (vgl. artikel 7:456 BW). Hiertegen heeft het college geen bezwaren, omdat in het kader van deze tuchtklacht van klaagster die passages niet ter zake doende zijn en bovenal de privacy van de vader in het geding is (hij moet zich vrijelijk kunnen uitlaten tegenover een arts/hulpverlener). Wat verder opvalt is dat de huisarts van D niet kenbaar betrokken is geweest door verweerster in het kader van haar onderzoek en de gesprekken met klaagster en D.
 
5.2       De beschrijvende diagnose van verweerster kan het college goed volgen, doch het college heeft vraagtekens bij de diagnose op As 1: de (nagebootste) stoornis Münchausen by proxy, welke diagnose in het algemeen (zeer) moeilijk is vast te stellen en verweerster deze (definitieve) diagnose heeft gesteld na een relatief korte onderzoeksperiode en zelfs kennelijk niet ervoor heeft gekozen om er een “werkdiagnose”  of “differentiaal diagnose” van te maken. Verweerster weet, zo volgt ook uit haar verweerschrift, dat deze diagnose voor ouders zeer heftig is en dat brengt ook de vraag met zich of het in deze fase van onderzoek (na 4 gesprekken in 1,5 maand tijd) wel zo adequaat is om deze diagnose zonder enig voorbehoud op schrift te stellen. Dat de diagnose van verweerster ondersteund werd door het MDO moge zo zijn, doch dat laat de eigen verantwoordelijkheid van verweerster hiervoor onverlet. Vóór het vaststellen van deze diagnose is geen informatie  gevraagd bij de huisarts van klaagster. Dat valt op  omdat juist een huisarts veelal beter zicht heeft  op het gezin en op  mogelijke signalen van Münchausen by proxy. Ook daarom was het zorgvuldiger geweest indien verweerster haar diagnose voorzichtiger had gesteld en had gekozen voor een werkdiagnose.
Al met al concludeert het college dat de door verweerster vastgestelde diagnose Münchausen by proxy niet zonder meer volgt uit haar onderzoek en in ieder geval in die fase van het onderzoek prematuur is te noemen. In die zin slaagt klachtonderdeel 1. Wat betreft de angst bij klaagster dat D uit huis geplaatst zou worden als gevolg van de gestelde diagnose merkt het college ten overvloede op dat er geen aanwijzingen zijn in het dossier dat Jeugdbescherming op initiatief/voorstel van verweerster wilde besluiten tot uithuisplaatsing van D bij zijn vader.
 
5.5       Niet weersproken is dat verweerster het medisch dossier aan klaagster (en aan D) ter beschikking heeft gesteld en dat dit het dossier is zoals het college heeft aangetroffen in de stukken, dus niet compleet (zie ook onder 5.1). Het college volgt verweerster in haar afwegingen om de passages waarin de gesprekken met de vader van D en D zelf zijn opgenomen heeft afgedekt (vgl. artikel 7:456 BW). Voor beiden geldt dat zij zich vrijelijk tegenover een hulpverlener moeten kunnen uiten en dat bij overhandiging van het medisch dossier dan wel al die gegevens/gesprekken “openbaar” worden. Verweerster heeft ter zitting aangeboden dat D zijn gehele dossier mag inzien op de kantoorlocatie van E, doch of dit ook geldt voor de gespreksgedeelten met de vader van D is het college niet duidelijk geworden. In ieder geval kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt zoals geformuleerd in klachtonderdeel 5.
 
5.7       De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg  jegens klaagster en D had behoren te betrachten. Nu verweerster niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen en haar intenties en zorgen te begrijpen zijn, zal het college volstaan met de lichtste maatregel.
 
6. De beslissing
Het college:
-         verklaart klachtonderdeel 1 gegrond;
-         verklaart de overige klachtonderdelen ongegrond;
-         legt op de maatregel van waarschuwing.

Foto: CC BY-SA 3.0 Nick Youngson